Home                       Contact       Aanmelden Nieuwsbrief               InnovationHub

  Plus interview            Passionate People           Blikvangers           Video           Columns
   Innovatie
   Mobiliteit
   Nieuwe Economie
   Nieuw Organiseren
Op dinsdag 16 december 2014 organiseerde Plusbusiness.nl aan het Rokin te Amsterdam een rondetafelgesprek met als thema:

Innovatieve drivers in de toekomstige stedelijke ontwikkeling

met vijf deelnemers uit verschillende disciplines:
Peter de Bois, urban-knowledge
Thomas Dieben, de nieuwe generatie
Remko Zuidema, briqs
Marlies Kort, twenty20
Ruud van Velthoven, plusbusiness.nl



 De stad van de toekomst is een 
 stad van chaos 

Welke technologie heeft de meeste impact op stedelijke ontwikkeling? Stedelijke ordening en organisatie hebben altijd de fysieke ordening van de chaos tot doel gehad, maar de nieuwe communicatietechnologieën zou die ordening misschien overbodig kunnen maken. Op je smartphone kun je een locatie vinden zonder dat je echt weet waar je naar toe gaat. Het gevolg daarvan is dat de favela’s in Rio de Janeiro in theorie net zo goed kunnen functioneren als de fysiek goed geordende wijken van Amsterdam Nieuw West. De fysieke vorm en de organisatie van een stad zouden in dit gedachte-experiment niet meer met elkaar verbonden hoeven te zijn. Dit is wel een heftige stelling, maar het is leuk om na te denken of die twee daadwerkelijk uit elkaar gehaald kunnen worden.

Je neemt in deze benadering niet mee dat de mensen ook heel erg aan het veranderen zijn
Mensen groeien mee met de technologische ontwikkelingen, communicatie wordt bijna belangrijker dan fysieke aanwezigheid. Communicatie wordt ook steeds minder afhankelijk van de fysieke aanwezigheid. Dat kan rare situaties opleveren. Vroeger was een winkel gevestigd op een plaats waar iedereen langs kon lopen, bij voorkeur in het centrum en op dominante lijnen die de stad intern en extern verbinden. Zichtbaarheid was van groot belang. Maar etalages worden steeds meer virtueel, dus hoeft een winkel niet meer in centrum te zitten.

Maar over welke chaos hebben we het? Fysieke, mentale of virtuele chaos?
Een van de grootste virtuele schoenenwinkel draait nog steeds met verlies. Belangrijke webshops kiezen er steeds vaker voor toch een fysieke flagstore te openen, zoals bijvoorbeeld Apple doet. Maar hebben we het wel over chaos? Wanneer je gebruik maakt van een TomTom vertoon je ander rijgedrag dan wanneer je hem niet gebruikt. Als je je navigatieapparatuur uitzet ga je om je heen kijken, op zoek naar referentiepunten. Chaos is een relatief begrip en gekoppeld aan wat je doel is en hoe je wil bewegen, waarom en hoe je je zelf info wil geven daarover.

Welke vorm van ordening heeft de mens nodig om optimaal te functioneren en in welk domein?
De vraag is wat een mens überhaupt kan onthouden. Bij het navigeren door stedelijke gebieden willen we minimaal twee aspecten weten, namelijk waar ben ik en waarom wil ik hier zijn, dus wat zoek ik, eigenlijk. Deductie de vraag naar de context en inductie de vraag naar het detail. Die twee worden met elkaar verbonden. Dat kan vertaald worden binnen een virtueel domein dat je waarneemt met je oren of je ogen, maar ook binnen een fysiek domein, dat je met dezelfde zintuigen waarneemt. Ons oriëntatievermogen zit direct in ons geheugen, gekoppeld aan de zintuigen die verbindingen leggen en met de buitenwereld communiceren. Het medium waar dat mee gebeurt, is minder relevant. Denk maar aan de tools waarop kinderen tegenwoordig met elkaar communiceren. Dat doen zij fundamenteel anders dan vroeger. De manier waarop zij functioneren en in welk domein kan volledig voorbijgaan aan mensen die geen ervaring hebben met deze nieuwe tools zoals sociale media.

In ons systeem hebben we een instrument dat ons faciliteert
William Beecher Scoville heeft in 1957 de functie van de hippocampus –een deel van onze hersenen- ontdekt, en John O’Keefe (nobelprijs 2014) en Lynn Nadel hebben de rol daarvan voor het functioneren van onze cognitieve kaart als eerste beschreven. De belangrijkste functies daarvan zijn deductie en inductie. Deze functies geven ons de mogelijkheid mentaal een kaart te maken over de wijze waarop wij ons in de stad bewegen en gedragen (afhankelijk van onze leeftijd), wat we leuk vinden en wat ons aanspreekt. Op die manier wordt ons hele netwerk in het geheel van de stad zichtbaar.

Ook stelt de hippocampus ons in staat problemen op te lossen en structureert hij ons denken. Kinderen die in stedelijke tuindorpen, zoals Amsterdam west en ciam wijken opgroeien hebben daardoor mogelijke een minder ontwikkelde hippocampus omdat ruimtelijke orientatie moeilijk is. Het is mogelijk dat daardoor ook vaker leerproblemen zullen optreden bij kinderen in dit type wijken. Taxichauffeurs in Parijs of Londen hebben juist een groter ontwikkelde hippocampus. De inhoud van de hippocampus is afhankelijk van hoe je leeft, hoe je emoties zijn opgebouwd en wat je hebt meegemaakt. De hippocampus zorgt ook voor de ordening van informatie. Google vat bijvoorbeeld de complexiteit van het wereldwijde web samen in één balkje. Met dat ene balkje als instrument helpen ze jou uit te vinden waar we zijn en waarom. Meer niet. Zo’n plattegrond heb je nodig, omdat je die informatie nodig hebt voor dagelijks gebruik en leven in de stad.

De meest gebruikte woorden in sociale media zijn ook: waar ben je?
Het verlangen dat te weten is een hele fundamentele behoefte. Dat blijkt ook als je onderzoek doet naar de vraag waar mensen hun geld aan willen uitgeven. Communicatie is een van de belangrijke items. De mobiele telefoon is belangrijker dan vervoer. Vervoer is secundair. Niemand kan nog zonder een telefoon om elkaar te vertellen hoe je weer bij elkaar kan komen. Het draait puur om elkaar te ontmoeten en hoe je dat kunt organiseren.

De communicatie is lang gestructureerd door de stedelijke systemen en organisatie. Zullen die dezelfde functie behouden?
We kunnen op meerder manieren bepalen hoe we ons door de stad willen bewegen en navigeren. Het is nog wel steeds essentieel dat je kan navigeren. Niet alleen om van A naar B komen, maar ook om duidelijk te maken dat je iets gezien hebt dat belangrijk is voor de mensen binnen jouw groep. Daarbij zijn sociale media ook belangrijk voor de opgebouwde sociale referenties. Een van de belangrijkste redenen om ergens te gaan shoppen is omdat mensen het van elkaar horen. Vroeger ging alles via mond tot mond reclame. Dat fenomeen is enige tijd minder invloedrijk geweest, maar nu is het weer ongelooflijk belangrijk geworden. Als je via sociale media niet positief bekend bent, is je business gedoemd om te mislukken. Je beleeft de identiteit van een plek of gebied pas echt als je er bent geweest. Alleen winkels in bekende straten als bijvoorbeeld de P.C. Hooftstraat hoeven zich niet via internet te laten gelden. Zij zijn een fenomeen.

Het wordt wel steeds maakbaarder
Ik was laatst uitgenodigd om naar een bar te gaan waar het ging gebeuren! Vier containers op elkaar gestapeld. Iedereen stond foto’s te maken. Op mij maakte het de indruk van een soort plekkeloosheid. Dit is een mooi voorbeeld hoe virtuele informatie mentale- en fysieke systemen met elkaar verbindt. Neem bijvoorbeeld de discussie over de creative industry in de Amsterdam Economic Board. Amsterdam staat op de vierde plaats van de meest liable city’s van de wereld. Dat heeft een enorme betekenis. Uiteindelijk gaat het om koppelen van mentale behoeften en verwachtingen aan het fysieke systeem. Als het fysieke systeem niet voldoet aan die verwachtingen, tel je niet meer mee.

Kom je bij het analyseren van de verschillende systemen bijvoorbeeld ook tegen dat Amsterdam bekend staat als smeltkroes met veel verschillende culturen?
Amsterdam bestaat uit twee fysiek duidelijk gescheiden delen: de grachtengordel en alles daar om heen. Dat is een kwetsbaardere situatie dan wanneer de stad uit tien delen zou bestaan. Een multilayer-samenleving is meestal flexibeler en adaptiever, die heeft meer overlappen en daardoor een speelruimten voor de aanpassingen die constant nodig zijn. Fysieke veranderen zijn altijd moeilijk in steden en meestal kapitaal intensief. Toch zie ik in een wijk als De Pijp verbeteringen. Die ontwikkelt zich van een van de mindere wijken van Amsterdam tot een goede vitale wijk. Het is dus mogelijk in een redelijk korte tijd verbeteringen tot stand te brengen. Dat kan soms heel extreem gaan, van hoerenbuurt tot een van de betere wijken. Maar omgekeerd kan ook gebeuren. Het makelaarsadagium ‘locatie, locatie, locatie’ klopt op korte termijn en op specifieke onderdelen. Vanuit een beleggerspositie, waarin het over de lange termijn zou moeten gaan, zie je dat er niets is geïnvesteerd omdat de situatie zo slecht was. Kijk maar naar de kantoren in Sloterdijk of Amstel. De bomen zouden daar tot in de hemel groeien. Niet dus want dat soort objecten is onderhevig aan maatschappelijke processen die invloed hebben op deling en scheding van werk, geld en ruimte.

De traditionele steden hebben hun kwaliteit te danken aan de nabijheid van draagvlak
Die kwaliteit zie je vooral wanneer er sprake is van een heel beperkt geconcentreerd publiek domein en relatief veel privaat domein zoals in de meer compacte stedelijke gebieden. In CIAM wijken zoals Amsterdam-West heb je juist een groot publiek domein met een enorme spreiding, waar niks kan gebeuren, waar geen social-economische interactie kan ontstaan en waar je eigenlijk niet zou weten waar je een winkel zou moet beginnen. Amsterdam Amstel is wel goed gehecht aan de stad en ligt goed in alle opzichten. Amsterdam-Oost heeft zich positief ontwikkeld dankzij de eilanden. Sloterdijk is kunstmatig verbonden. Bij kantoren gingen we ervan uit dat er voldoende markt was. Wat winkelareaal betreft heeft men zich volledig vergist in de invloed van sociale media en internet.

Er is na de industriële revolutie een totale scheiding van functies ontstaan
Slechts drie procent van de bedrijfsgebouwen zijn echt schadelijk voor woonomgevingen. Het is jammer dat die niet bij elkaar geconcentreerd zijn, maar verspreid over alle bedrijventerreinen. Ook is er bij gemeentes veel angst voor juridische claims wanneer zij zo’n bedrijventerrein anders definiëren: wat zou er wel en niet mogen. Zo ontstaat een vertraging van aanpassing en transformatie waar we maatschappelijk last van hebben, maar waarvan we nog niet helemaal weten hoe we de angel eruit moeten halen. We waren lange tijd van mening dat wanneer je met de auto naar je bestemming reed, je die auto moest kunnen parkeren op de plaats waar je moet zijn. Er werd totaal niet gedacht aan andere mogelijkheden. Dat was niet relevant. Kijk maar naar hoe ver Ikea verwijderd is van een metrostation. Nu zou je een nieuw te bouwen Ikea-vestiging bovenop een metrostation plaatsen. Vanuit zijn duurzaamheidsimago zal Ikea daar in de toekomst rekening mee houden.

Afsluiting
Technologische ontwikkelingen en big data systemen kunnen alleen maar succesvol zijn als wij het willen. Wij houden niet van chaos, maar wel van avontuur. Maar we zullen er alles aan doen om die chaos te voorkomen.
 Publieke netwerken zijn rand- 
 voorwaardelijk voor sociaal 
  economische waardecreatie.  
 Ze vragen een constant proces  
 van transformatie en upgrading.  
 Maar (lokale) overheden nemen  
 hun taken op dit punt niet serieus. 

Deze problematiek gaat dieper dan je in eerste instantie zou zeggen. Rotterdam Zuid heeft bijvoorbeeld een industrieel netwerk dat niet als woonnetwerk functioneert en daarmee sociaal economisch zwak is. De ruimtelijke structuren daarbinnen zijn disconnected. Het zijn eigenlijk eilanden die hier en daar een beetje aangehaakt zijn, maar intern niet door gekoppeld, waardoor er geen sociale en economische interactie plaatsvindt. Daar gebeurt overal hetzelfde. Er wordt geen onderscheid gemaakt, de nabijheid wordt niet benut, waardoor er ook geen interactie ontstaat voor private sociaaleconomische investeringen. De mensen die er wonen, worden niet getriggerd iets te ondernemen. Ze willen wel iets, maar het is alsof je een Albert Heijn vraagt zich in een gebied te gaan vestigen waar de supermarktketen geen draagvlak heeft. Dat doet het bedrijf dus niet.

Almere is een voorbeeld van serieel systeem dat niet functioneert omdat er geen netwerk is, met alle gevolgen van dien. Overheden doen daar weinig aan. Ze willen niet investeren. Rotterdam investeert in stenen. De politiek denkt alleen in kort geld en is sowieso niet geïnteresseerd in investeringen in langetermijnsituaties, terwijl het netwerk dat juist wel vragen. We zien dus steeds grotere verarming van het netwerk en een steeds geringere spontane capaciteit van privaat geld voor investeringen. Dat betekent dat de overheid steeds de rol van investeerder moet overnemen.

Ze weten niet hoe ze het moeten oplossen
De overheid beschouwt het netwerk van de stad zoals het er ligt als iets dat je eigenlijk niet hoeft te veranderen. Dat is de domste gedachte die je je kan voorstellen. Je ziet in de woonkernen vaak veel van hetzelfde, terwijl er behoefte is aan verschillende typen en grootte van woningen. Het gevolg van dit fenomeen is dat er geen natuurlijk proces van waardecreatie ontstaat en er geen prikkel tot investeren ontstaat, ook niet privaat. Steden zijn ontstaan omdat men telkens opnieuw heeft getransformeerd en geïnvesteerd. Wanneer een dorp groeit, komen er meer winkels bij en zo gaat het verder. Dat is een organisch proces. We hebben er een blauwdruk van gemaakt en een aantal stadia overgeslagen en zetten nu meteen in op de hoogste variant. Dat kan niet zonder gevolgen blijven. Je kunt niet bijsturen. De planning is bepalend, niet de inhoud.

In Almere is een krachtwijk eigenlijk niets anders dan een wijk die 30 tot 35 jaar lang niet is geüpgraded en dus geen betere connectie heeft gekregen met de rest van de stad, waar ook geen nieuwe voorzieningen zijn getroffen. Veel wijken in steden zijn op die manier een perifeer gebied geworden van een wereld waar je niet wil zijn. En als de woningcontingentering ook goedkoop en eenzijdig is, heb je daar wijk liggen met geringe incentives voor verandering en aanpassingen. Vervolgens gaat de prijs naar beneden en komen er in grote getale minder draagkrachtige gezinnen en nieuwe Nederlanders te wonen die juist een sterkere relatie met de stad nodig hebben om zich te ontwikkelen. Zo ontstaat een wijk die je over tien jaar kunt afbreken.

Collectief particulier opdrachtgeverschap, (CPO)
In Almere Poort hebben ze in een gesloten doos collectief particulier opdrachtgeverschap neergezet, CPO. Deze benaming betekent feitelijk niets. Mensen stoppen er geld in dat ze er, afgezien van misschien een inflatiecorrectie, nooit meer uitkrijgen. Waarom zou je in een architectonisch interessant huis in een cirkel willen wonen en vervolgens alleen maar naar elkaar kijken? Ze hadden stadstaten moeten bedenken en ontwikkelen, daar hadden ze de CPO’s langs moeten zetten. Die lijnen heeft die stad nodig. Het is niet netwerkgecorreleerd. Het is plekgecorreleerd. Almere is een verzameling plekken, allemaal community’s met de ruggen naar elkaar toe, afgewisseld met interessante gebieden met water en groen, die echter geen centrale positie en rol krijgen.

In Almere is GPS-onderzoek gedaan, naar de bewegingen van gezinnen: vaders, moeders en pubers. Eén van de ontdekkingen was dat ouders hun kinderen naar sportaccommodaties brachten. Die accommodaties waren hemelsbreed enkele kilometer fietsen, maar dat mochten de kinderen niet. In plaats daarvan werden ze met de auto gebracht. Daarvoor moesten die mensen omrijden, vaak een vijf keer lagere afstand. Omgerekend kwam dat voor de gehele stad neer op ongeveer 800.000 kilometer per week. Is dat nou duurzaam? Dat is dan een stad met maar 180.000 inwoners.

Is het verbinden van community’s en het aanleggen van netwerken wel een publieke taak?
Natuurlijk is dat een publieke taak, die overigens stelselmatig niet serieus genomen wordt. Infrastructuren zijn er om verbindingen te leggen en de ontwikkeling daarvan is bij uitstek een publieke taak. Plekken kan je privatiseren, maar verbindingen niet.

Een patroon is volgens Christopher Alexander een gebeurtenis, gekoppeld aan een geometrische plek, en onderdeel van een netwerk van (andere) gebeurtenissen
Je kunt op een andere manier met stedelijke ontwikkeling omgaan. Wij zijn in hoge mate gewend de stad te plannen, wij denken te weten wat goed voor iedereen is. Maar wanneer je dat volledig loslaat en de ontwikkeling als een groepsdiscussie laat plaatsvinden, krijg je automatisch een structuur waar iedereen aan gehecht is en die ook beschermd zal worden door iedereen. Iedereen wil daarin investeren, niet alleen met geld, maar ook met tijd. Dat laatste, die tijdinvestering, is buitengewoon belangrijk. Het is een continu proces. Er valt in feite niets stelselmatig te plannen. We kunnen alleen maar ruimte scheppen voor nieuwe mogelijkheden.

Op het moment dat je een plan maakt voor een stad zoals Almere en je gaat volgens het plan van buiten naar binnen ontwikkelen, zie je dat alles uit één doos komt.
Vitale steden zijn stapje voor stapje gegroeid op basis van een steeds verder ontwikkeld bestaand stedelijk gebied dat steeds groter geworden is en steeds meer toegevoegde waarde krijgt. De stad heeft altijd een afgebakend territorium per fase. Een stad ontwikkelt zich in eerste instantie in één dominante richting. Vervolgens ontstaat er een integraler patroon, wanneer de ontwikkeling de richtingen inslaat. Zo ontstaat er een constant proces. Dit is een wetmatigheid in stedelijke ontwikkeling. Zo ontstaat een multifunctionele stad, een parallelle stad. Die ontwikkeling hebben we met planning weggewerkt omdat we te snel willen.

Het hele proces van waarde creëren is ook een proces van integratie van mensen. Gelijke kansen geven aan mensen ongeacht de plaats die ze hebben en waar ze wonen. Het gaat erom hoe je het onderste netwerk van de wijken en buurten en bovenste netwerk van de stad als geheel via een intermediair netwerk –het intranet- met elkaar koppelt en verbindt.

Stedenbouw is de laatste 40 jaar steeds meer planologie geworden
Planning is dominant geworden in de stedelijke ontwikkeling en de stad is een management opgave geworden lijkt het. Dat trekt ook een grote wissel publieke gelden die in welvaart hun ideen ruim baan konden geven. Daarmee zijn organische ontwikkeling processen overruled. Dankzij de crisis word privaat geld weer essentieel. Veel steden zijn in feite failliet zeker als zij hun taken volledig zouden moeten uitvoeren zoals bijvoorbeeld onderhoud van het publiek domein, wat nu standaard op niveau c staat.

Er is een scheiding tussen de verkeerskundige en de stedenbouwkundige paradigma’s
Neem steden met grote tekorten op infrastructuur en onderhoud, puur vanuit het gebruik van de verkeersfunctie. Die stad huurt verkeerskundigen in om de structuur veilig en efficiënt te maken. Dat levert modellen op waarin we het verkeer manipuleren op basis van afsluitingen en van toegankelijkheid: we sluiten straten af voor auto’s. Maar we hebben het model verkeerd opgeschaald. Dat betekent eigenlijk dat we mensen die ergens wonen zo snel mogelijk uit hun eigen schaalniveau halen en naar een hoofdweg brengen, zodat ze kunnen kiezen of ze verder de stad in willen of er juist uit. Het gevolg van dit principe is dat je 80 tot 90 procent van je netwerk niet gebruikt. Op deze manier gaat alle verkeer over die 10 procent hoogwaardige kapitaalintensieve voorzieningen, die je regelmatig moet onderhouden en vernieuwen. Dat kost veel geld.

Op deze wijze wordt het vermogen van de stad om als spons te functioneren onmogelijk gemaakt, en wordt de oriëntatie en de kennis van de mensen zelf de nek omgedraaid. We hebben analyses gemaakt waaruit bleek dat mensen die dichtbij het centrum wonen als gevolg van het eenrichtingsverkeer enorm moeten omrijden om er te komen. In een andere stad bleken parken niet meer bereikbaar. Het stadhuis was bijvoorbeeld alleen nog maar verbonden met het industriegebied.

Dit gaat over de kennis van netwerken en systemen
Het gaat ook over de gebruiksmogelijkheden en comfort van de burger. Die zou zo veel mogelijk functies gemakkelijk moeten kunnen bereiken vanuit zijn woonplek, maar dat lijkt losgekoppeld. Wonen en winkelen zijn separate werelden geworden. Wij –de gebruikers- hebben de overheid eigenlijk misbruikt om dingen voor ons op te lossen, terwijl wij ook zelf het ownership hebben over onze stedelijke problemen. Die spagaat is ontstaan in de jaren ’50, toen de overheid deze taken op zich heeft genomen. Daardoor is het oplossen ervan in essentie een managementopgave geworden en hebben de gebruikers in feite geen rol en zeggenschap meer over het vaststellen van de juiste richting.
 Hoe ziet vrijheid in gebondenheid  
 eruit in de stad? 

Binnen een gebouw zouden twee partijen de baas moeten zijn. Aan de ene kant de belegger, de partij die de financiële risico’s draagt, en aan de andere kant de gebruiker, die het gebouw benut voor een andere waardepropositie. Wonen kan je niet in geld vertalen, maar wel in waarde. Gelukkig komt dat onderscheid ook steeds meer in zwang in het bedrijfsleven. Die laatste waardepropositie is in hele bouwdossier volstrekt ondergeschikt gemaakt aan de financiële waarde. De financier is de baas, de gebruiker moet volgen. Dat is een gevolg van de focus op het Bouwbesluit. De financier is degene die de vergunning moet aanvragen voor de nutsvoorzieningen en is ook de partij die de vergunningen krijgt. Overal is de financier de baas van de gebruiker. Maar als je langdurige waardevolle gebouwen in ogenschouw neemt, zijn dat gebouwen die continu geschikt blijven voor het gebruik. Er is echter niets veranderlijker dan gebruik en dat wordt in alles geblokkeerd. In het Bouwbesluit moet je elke ruimte een functie geven en zodra je een ruimte meer functies geeft, dan stapelen de voorwaarden zich op en worden nieuwe plannen meteen onbetaalbaar. Zo ontstaat de situatie dat maar een klein gedeelte van het gebouw de tand des tijds doorstaat.

Zelfs een monument is in feite niets meer dan de drager van gebruik. Gevel, draagstructuur, nutsvoorzieningen, verticaal transport: die onderdelen vormen de essentie voor een monument. Die vergen langetermijninvesteringen. Maar alle overige elementen zou je op een andere manier willen organiseren. Dat zijn dingen voor de korte termijn.

Waar ik voor pleit is de verantwoordelijkheid voor de inbouw en voor de drager in de constructie van gebouwen volledig los te koppelen, zoals John Habraken meer dan vijftig (1961) jaar gelden heeft bedacht
Wij vinden het nu nog steeds normaal dat een architect een woning inclusief inbouw ontwerpt en dat je alleen een bouwvergunning krijgt als je de indeling van de woning meestuurt. De interne leefomgeving hoort daar ook bij, dus niet alleen de badkamer en de keuken, maar ook het klimaat en de verlichting. Slechts af en toe wordt daar een uitzondering op gemaakt. Maar in Japan is dat inmiddels fundamenteel losgelaten. Daardoor is in dat land een geheel nieuwe industrie ontstaan, die van de inbouwaannemers.

De situatie in de corporatiewereld in Nederland is iets aangepast. De bewoner als passagier zat altijd op de achterbank van de auto en mag nu voorin op de parsagierstoel plaats nemen zodat hij meer ziet en zo invloed heeft op waar we naar toe willen. Maar dat is niet genoeg. De bewoner moet zelf aan het stuur, hoogstens in het begin nog begeleid door een rijinstructeur. Zover is het echter nog lang niet. De meeste betrokkenen in de corporatiewereld durven de bewoner niet aan stuur te laten. Er is nog geen vertrouwen. Dat is jammer. Ongetwijfeld zal er een keer iemand de fout ingaan. Maar dat moet normaal gesproken toch mogelijk zijn?

Wat levert dit voor de bewoner op?
Invloed en zeggenschap. Zeggenschap geeft hechting. In een huursituatie ben je ontevreden, want je hebt alleen zeggenschap over je meubels. In een koopsituatie ben als bewoner eigenlijk ontevreden want je hebt ineens de verantwoordelijkheid over funderingen en casco’s en dat is een professionele opgave. Een tussenoplossing was huurkoop, een constructie die tot 10 jaar geleden gefaciliteerd werd, ook door de belasting. Huurkoop is destijds de nek omgedraaid door het ministerie van Financiën omdat men van mening was dat de bewoners te weinig risico liepen om te mogen genieten van de hypotheekvrijstelling. Maar het kan ook anders. Een corporatie in Amsterdam heeft er bijvoorbeeld voor gekozen de inbouw te verkopen aan de bewoners. Dat zijn bij uitstek bewoners die niet meer weg gaan, want het is nu hun woning geworden. Dit is positief voor de corporatie.

Ontkoppeling van twee werelden: je hebt geen Bouwbesluit nodig maar een Gebouwbesluit en een Gebruikbesluit
De overheid is nu aan zet, maar zij is bang voor de media en het parlement. Die angst is onterecht en verwoest alles. De overheid lijkt alleen maar nog starder te opereren. Maar de markt is wel die kant op aan het bewegen. Er wordt steeds meer cascoverkoop aangeboden en die huizen gaan als zoete broodjes.

Wanneer je op dit moment een plan uitwerkt met verschillende niveaus, is er voor alle niveaus een apart besluit nodig en heb je steeds met verschillende partijen te maken die hiertoe bevoegd zijn. Ideaal zou zijn wanneer het inbouwgedeelte van een woning gedaan zou worden door de uiteindelijke bewoner, maar dat deel is nu nog onderdeel van het domein van de gebouweigenaar of de belegger. De ontwikkelaar bepaalt op dit moment alles met betrekking tot de buurt, het gebouw, de woning en soms ook nog de specifieke onderdelen. Maar de ontwikkelaar is in feite alleen geïnteresseerd in het goed verhandelen aan zowel de belegger als aan de bewoner. Daar liggen dus kansen om de gebruiker te laten opschalen. Waarom zou hij niet willen meepraten over het gebouw? De belegger zou niet slim zijn als hij de bewoner niet mee laat praten of zelfs beslissen. Daar is zonder twijfel meerwaarde te vinden.


   Duurzaam Dossier
   In Beeld
   Innovatie Modellen



Het Rondetafelgesprek is een informatief podium, dat deelnemers de mogelijkheid biedt om met elkaar in gesprek te gaan over duurzame innovatieve ontwikkelingen. Door verschillende disciplines wordt informatie op een laagdrempelige, open en interactieve manier ingebracht. Hierdoor ontstaat een interessant speelveld. In het Rondetafelgesprek wordt informatie uitgewisseld aan de hand van stellingen met als doel een interessant perspectief of ambitie neer te zetten. Elke deelnemer kan vooraf een vraag of stelling inbrengen.








Rondetafelgesprek
Heeft u vragen, opmerkingen of suggesties voor deze rubriek, stuur dan een e-mail naar:




  Plusbusiness.nl
  Over Plusbusiness.nl
  InnovationHub
  Contact
  Redactie
  Uitgever
  Nettiquette
  Disclaimer
  Persberichten
  Vrijwilligers


  Specials
  Leestafel
  Zeven wetten voor
    innovatie

  Bachelor Master Prijs
  Rondetafelgesprek
  Rondvraag


  Tools
  Kaizen
  Milieubarometer
  Ladder van Lansink
  Innovatiestijlquiz


  Infographics
  Kritieke grondstoffen
  Global resources stock
    check

  Human Development
    Index

  Kondratieff-golven
  Toekomstige
    technologische
    ontwikkelingen

  Ellen MacArthur
  Categorieën
  Innovatie
  Mobiliteit
  Nieuwe Economie
  Nieuw Organiseren
  Passionate People
  Blikvangers
  Video
  Duurzaam Dossier
  In Beeld
  Innovatie Modellen
  3d Printing
  Grondstoffen Strategie
  Deeleconomie
  Integrated Reporting
  Upcycling


  Columns
  Strategische Marketing
  Crowdfunding
  Klantgedreven Innoveren
  Partnershappen
  CSR Issues
  De Consumens
  Boeiend?


  Links
  Global Innovation Index
  Sustainable Society Index
  Gemeentelijke
    Duurzaamheids Index

  Plus interview
  Hester Klein Lankhorst
  Suze van der Meulen
  Roland Amoureus
  Wiebrand Kout
  Ton Van ’t Noordende
  Chris Heutink
  Tom Oostrom
  Ivo de Nooier
  Theo Voskuilen
  Merijn Everaarts
  Stientje van Veldhoven
  Taco Carlier
  Karel Luyben
  Rob van Gijzel
  Jacqueline Cramer
  Bas Ruter
  Femke Groothuis
  Felix Janszen
  Frank van Ooijen
  Herman Hoving
  Ewald Breunesse
  Ton van der Giessen
  Stef Kranendijk
  Max Remerie
  Henk de Bruin
  Hans Kwaad
  Marga Hoek
  André Veneman
  Gerald Schotman
  Marco van Gelder
  Thomas Rau
  Ton van Keken
  Sander Tideman
  Ruud Koornstra

  Volg Plusbusiness.nl


  Afmelden nieuwsbrief

   Facebook

   Twitter

   LinkedIn


  Innovatie Modellen
  Stacey Martix
  Het Ansoff model
  Concurrentiestrategieën
    van Porter

  The Lean Startup methode
  Design Thinking
  Het model van Knoster
  Innovatieradar
  Strategische innovatie
  Zes denkhoeden van De Bono
  Het Belbin model
  Het Nonaka model
  Clusterradar